Social media

Zoeken

Wat houdt peuters thuis?

Ongeveer 22% van de Nederlandse peuters gaat niet naar een voorschoolse voorziening  (peuteropvang/peuterspeelzaal of kinderdagverblijf). Dat blijkt uit de Monitor bereik van voorschoolse voorzieningen in NL 2017. Wat houdt peuters thuis? Wat zijn de drempels voor ouders? Partoer brengt het voor u in beeld. Jitske Algra, onderzoeker en consultant van Partoer vertelt over het belang van meer inzicht.

Waarom is het belangrijk om te weten waarom peuters niet naar een voorschoolse voorziening gaan?

“Het start met de gedachte dat kinderen optimale kansen moeten krijgen om zich te ontwikkelen en dat voorschoolse voorzieningen daar een belangrijke rol in spelen. Daarom is de landelijke afspraak dat vanaf 2021 alle peuters een voorschoolse voorziening bezoeken. Gemeenten krijgen van de overheid budget (Asschergelden) om meer peuters de kans te bieden naar een voorschoolse voorziening te gaan dan nu het geval is. Maar waar zet je je geld als gemeente op in? Hoe besteed je je geld op een goede manier?”

Wat is het belang van onafhankelijk onderzoek? Weten gemeenten zelf niet wat de redenen zijn?

“Als je de toegang naar voorschoolse voorzieningen wilt verbeteren, moet je weten wat ouders nodig hebben in het gebruik maken van voorschoolse voorzieningen. Onafhankelijk onderzoek geeft dit inzicht. Ik merk dat er veel beleid gebaseerd wordt op aannames. Uit onze onderzoeken blijkt echter dat bepaalde aannames ongegrond of genuanceerder zijn dan wordt verondersteld. Zo is het interessant (en van wezenlijk belang) om te weten welke redenen er zijn en hoe deze met elkaar interacteren. Daarnaast zijn er veel verschillen tussen en in gemeenten. Met de inzichten die wij op basis van onderzoek bieden, kunnen gemeenten hun geld inzetten op de juiste punten. Oftewel, inzetten op dat wat de doelgroep (ouders van peuters) nodig heeft.”

Wat voor verschillen zie je dan, tussen gemeenten?

“Er is een scala aan redenen dat invloed heeft op de keuze of ouders kiezen voor een voorschoolse voorziening. De redenen kunnen bijvoorbeeld van sociaal-economische aard zijn (moeder/vader werkt niet buitenshuis of ouders hebben geen werk), maar ook van fysieke aard (grote afstand tot voorzieningen/aanbod van voorzieningen). Daarnaast is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in bepaalde gemeenten doorgevoerd, in andere gemeenten nog niet. Ook dit heeft invloed.”

Kunnen gemeenten zo’n onderzoek ook zelf uitvoeren?

“Het kan in principe wel. Maar ik raad dat niet aan. Voor de kwaliteit van het onderzoek is het belangrijk dat dit onafhankelijk wordt uitgevoerd. Een slager keurt tenslotte ook niet zijn eigen vlees. Daarnaast is mijn ervaring dat respondenten (in dit geval ouders) meer open zijn als zij hun verhaal (anoniem) kwijt kunnen bij een partij die belangeloos is.”

Is dat lastig, het onderzoeken van non-bereik?

“Ja! De kunst is om de juiste mensen te spreken. Kortom: de ouders van de peuters die niet naar een voorschoolse voorziening gaan. Die staan niet ergens geregistreerd, je kunt ze dus niet rechtstreeks benaderen. Het bereiken van die mensen, dat is onze specialiteit. De werving en communicatie binnen het onderzoek is van groot belang. Wij maken per gemeente een communicatieaanpak op maat om zoveel mogelijk ouders te bereiken. Daar hebben we goede ervaringen mee.

Hoe voeren jullie het onderzoek uit?

“Het gaat erom dat we zoveel mogelijk waardevolle informatie op tafel krijgen. Met dit doel voor ogen voeren we meestal een kwantitatief onderzoek (enquête) en een kwalitatief onderzoek (dieptegesprekken) uit. Het één versterkt het ander. Het kwantitatieve deel geeft een globaal beeld van de situatie en de gesprekken geven meer diepgang. Zodat je meer te horen krijgt over waarom ouders bepaalde keuzes maken en wat zij nodig hebben van de gemeente. Maar natuurlijk is het vooral belangrijk om de methodes aan te laten sluiten op de vraag van de gemeente en de lokale situatie. Een aanpak op maat is en blijft belangrijk.”

Hoe is het voor jou om dit onderzoek uit te voeren?

“Als onderwijskundige en pedagoog vind ik het heel mooi om samen met gemeenten en ouders het aanbod nog passender te maken. Zodat we een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van kinderen. De aanpak op maat maakt me enthousiast. Wat zijn kenmerken binnen de gemeente, wat zijn de speerpunten, hoe ervaren ouders de opvang en hoe kunnen we een onderzoek vormgeven dat de juiste inzichten biedt? Om die puzzel te leggen, dat vind ik het mooiste dat er is”.

Ander nieuws